Home ALGEMEEN Memoires van een seriewoordenaar

Memoires van een seriewoordenaar

9

LAURENS MAASLAND – In de duisternis van een eindeloze Franse oktobernacht kijkt een visser vanaf zijn motorkap omhoog naar het firmament. Starend, met een blik op en in het oneindige. Flarden van duizend-en-één gedachten waaien mee op het ritme van de wind, om voor eeuwig en altijd op te lossen in het niets.

Het heelal is het speelveld van mijn gedachten. Het jachtdecor naar herinneringen. De karpers zijn de miljoenen sterren die als lichtpuntjes deze show domineren. Soms binnen handbereik, maar veelal oneindig ver weg. Ongrijpbaar. Onzichtbaar. Als een zwart gat. Maar de aanwezigheid, de aantrekkingskracht ervan, onmiskenbaar. De drijvende kracht achter de ontrafeling van grote mysteries. Het temmen van de nieuwsgierigheid. Om een blik te mogen werpen naar wat zich schuilhoudt en wellicht zijn baantjes trekt achter de ‘event horizon’.

‘Cyprinus carpio’ als de zevenvinnige belichaming van levensgeluk. Het is belachelijk, maar al tweederde van mijn leven een vaststaand gegeven. Een ijskoude rilling van een wind die plotseling dwars door mij heen lijkt te waaien, maakt een einde aan het gemijmer. Even de tanden op elkaar. Nog een paar honderd kilometer.

Voor spek en bonen.

Lijntjes uitgooien

“We hadden afgesproken elkaar hier niet meer te zien, toch?” Een zuinig lachje ontsnapt aan mijn mondhoeken. Of ik inmiddels al wat leuks had lopen, vervolgde ze na een goed getimede stilte haar charmeoffensief. Visioenen van brede ruggen en dikke staartwortels spoken door mijn verkarperde brein. ‘Een goed lopende stek, telt dat ook?’, wil ik bijna zeggen. Maar spreken is zilver en zwijgen is goud, dus ik pareer haar niet geheel onverwachte inbraak op mijn comfortzone door subtiel mee te bewegen op het ritme van de rituele dans. Binnen de grenzen van mijn vrijheidsrecht en sollicitatieplicht speel ik mijn eigen advocaat. De zaak in kwestie draait om het veiligstellen van nog een laatste monstersessie. Een ultiem eindejaarsoffensief. Bij voorkeur van een week of twee.

Dat ik pas twee uurtjes terug ben uit Frankrijk en aardig heb zitten harken, laat ik wijselijk buiten mijn betoog, want een link naar de plantsoenendienst is tenslotte snel gemaakt. Terwijl duidelijk wordt dat het vonnis van deze zaak in mijn voordeel bepleit gaat worden, voel ik de spanning langzaam maar zeker stijgen. “Ondertussen blijf ik her en der wat lijntjes uitgooien.” Hier is alvast geen woord van gelogen…

Dit kan maar één ding betekenen…

Door omstandigheden wordt het pas half november dat ik, gewapend met 200 kilo boilies, vier potten pindakaas, drie kilo oude kaas en tien zakken noten, mijn reis ‘down south’ begin. Aan het landschap en de atmosfeer is duidelijk merkbaar dat de winter voor de deur staat. De plotselinge kou bezorgt me een onheilspellend gevoel dat maar moeilijk te onderdrukken blijkt. Een gevoel van te laat zijn.

De kaarten zouden nu weleens compleet anders geschud kunnen zijn. Het idee bekruipt me dat dit een lastige trip gaat worden, los van de gebruikelijke ontberingen en minimale luxe. Om de paar uur verkassen, rijden, zoeken, voeren, observeren… Ik heb het nodig om het plaatje der beleving compleet te krijgen. Alleen dan krijg ik het gevoel dat ik echt zit te vissen.

Mijn voerschema is zo ambitieus dat ik een nauwkeurige planning moet bijhouden om het overzicht te bewaren. In de eerste regio blijft het twee dagen angstvallig stil, mijn opties raken uitgeput. Tijd om verder te gaan en opnieuw te beginnen. De condities zijn iets verbeterd: zachter, meer bewolking met een lagere luchtdruk. Het vormt de prikkel om stevig te voeren. Vier voerstekken op drie wateren. Vijf kilo boilies per voerbeurt. Alles of niks. Door de onderlinge afstand en de onbereikbare aard van de plekken vormt het voeren alleen al een dag- of beter gezegd een nachttaak.

Het koelt geleidelijk iets af. Losse flodderpogingen tussendoor blijken vruchteloos en vormen de ideale voedingsbodem voor groeiende twijfels. Stoelpootknagers tijdens de niet te onderschatten mentale strijd die ik als einzelgänger ver weg van de gebaande paden onvermijdelijk voeren moet. Met het ontbreken van voorkennis en de mogelijkheid elkaar wat moed in te spreken, staat de solovisser er op dit gebied alleen voor. Toch wil ik het niet anders. Sterker nog, het kan op veel van de plekken niet eens anders.

De ontlading…

De barometer komt weer in beweging, helaas de verkeerde kant op. Niet alleen de luchtdruk stijgt. Ook bij mezelf voel ik de druk en onrust toenemen. Vijf dagen in de sessie inmiddels. Vijf dagen balanceer ik al op de flinterdunne scheidslijn tussen hoop en vrees. De diep gekoesterde wens om het tij te mogen keren laat de gemoederen soms hoog oplopen. ‘Blijf kalm’, roep ik mezelf toe. Het is allemaal spek en bonenwerk tot nu toe, de rest investeren.

Recht onder mijn voeten liggen drie van de grootste vissen die ik ooit gezien heb

De duisternis valt en ik kom tot leven. Urenlang fiets en banjer ik door de donkere bossen langs een groot uitgestrekt water. De tien kilo voer ligt erin. Ik haal diep adem en neem de bijzondere atmosfeer in mij op terwijl ik de waterspiegel afstaar. Tot twee keer toe rolt er iets wat zomaar karper zou kunnen zijn. Ik ruk mezelf los van het gebeuren, want vannacht vis ik voor het eerst op een van de voerstekken op een uurtje rijden vanaf hier. Vijf jaar geleden was deze plek het toneel van het rampscenario van een gemiste penvijftiger.

Twee mooie dertigers volgden gelukkig nog, maar in de jaren erna raak ik volledig het spoor bijster. Vissen zwemmen nonchalant en ongeïnteresseerd langs allerlei voertjes. Ik krijg geen grip op het grillige, voedselrijke water. Afgelopen zomer kwam ik er toevallig weer langs en besluit spontaan de afslag te nemen. Ik sluip met een vreemd voorgevoel door de begroeiing naar een omgevallen boom. Recht onder mijn voeten liggen drie van de grootste vissen die ik ooit gezien heb: twee schubs en een gigantische wrecking ball van een spiegel! Ik voel mijn benen slap worden. Voordat mijn boiliekruim enig effect sorteren kan, is het illustere drietal alweer verdwenen. Een ervaring rijker en een illusie armer.

Twintig, dertig meter lijn wordt van de spoel gerukt.

Midden in de nacht zit ik eindelijk te vissen, diep weggestoken in de wildernis. Ik geef het tot morgenavond laat, op de terugweg nog twee reservestekken voor een flitspoging. Als dit niet lukt, dan weet ik het ook niet meer. Halverwege de middag schrik ik wakker van een serie piepen. De rig blijkt behoorlijk in het wier vast te zitten. Meerkoet of toch karper? Ik zal het nooit weten. Enigszins gedesillusioneerd verlaat ik ’s avonds laat het water. Alle hoop is nu gevestigd op de laatst overgebleven optie. De stekken op het grote water. Na een nachtelijke boswandeling ligt het voer erin op de centrale stek. Meerdere keren springt er tijdens het voeren een karper. Het voelt als een geschenk uit de hemel. Het kost me moeite om niet meteen uit te gaan vissen, maar pak toch uit op de andere stek. Nu ik hier zit, dwalen mijn gedachten af naar afgelopen zomer, toen alles nog uit vraagtekens bestond. Drie dagen vijf kilo gevoerd zonder ook maar enig benul of er überhaupt karper zwemt. Zo’n 150 meter verderop maakt een doffe plons in de doodstille nacht een einde aan alle twijfels. Een zakker op de verste hengel zou het begin inluiden van een reeks aanbeten die ochtend. Enkele kleinere, een twintiger en een woest vechtende middertiger schub lieten mij shaken op mijn benen. Beleving op z’n best. Dit is karpervissen op z’n puurst. Dit is wat ik zoek.

Met deze gebeurtenissen zo vers in gedachten zit ik vol spanning achter de hengels. Zoals gewoonlijk slaap ik onder de blote hemel en word bij het eerste licht wakker met een gevoel van teleurstelling. Te veel gevoerd, verkeerde sector? Blijkbaar lig ik op tien kilo voer te vissen. Ik draai me nog maar een keer om, waarna plotseling een wonder plaatsvindt. Zomaar uit het niets. Een vernietigend harde aanbeet. Een lange streep. Het gieren van de spoel komt boven het piepgeluid uit. Mijn hart bonkt terwijl ik de hengel krom trek. Ik kan het haast niet geloven. Trage, slome trekken en een logge weerstand verraden dat er goede vis aan hangt. Ik blijf kalm maar kan de zenuwen nog maar net de baas. Twee lange uithalen van tien, twintig meter laten zien wie hier vooralsnog de baas is. Na een lange dril volgt eindelijk de capitulatie. Yes. Geen betere smaak dan die van het zwaarbevochten succes.

Tour du krankzinnigheid

De druk is van de ketel en ik gebruik de dag om andere sectoren van het water wat beter in kaart te brengen. Zodra de schemering valt, wil ik nog wat voeren op stek twee om later vanavond weer terug te keren. Uit nieuwsgierigheid neem ik, zoals wel vaker, een losse hengel mee en slinger hem uit. Van de uitbundige activiteit bij de vorige voerbeurt is geen spoor meer te bekennen. Het is weer kouder geworden en na ruim een uur afwachten besluit ik het voer erin te knallen. Vlak voordat de zak leeg is, hoor ik tijdens het laatste gekletter ineens geritsel in het riet en de spoel begint te gieren. Huh? Hoe is het mogelijk dat de vis tijdens zo’n regen aan boilies het aas pakt?

Uit het niets krijg ik de schrik van mijn leven wanneer ik vanachter aangevallen word door een uil…

Twintig, dertig meter lijn wordt van de spoel gerukt, abrupt en zonder enige aankondiging. Ik moet me focussen op wat er gebeurt, want er hangt blijkbaar iets woedends aan de lijn. De taaie, trage strijd onder de kant doet wederom een goed kaliber vermoeden. Er komt geen einde aan het gemok onder de kant en met uitgestrekte, verzuurde arm schep ik de vis. Nieuwsgierig kijk ik tussen de mazen en zie een kast van een schub liggen. Een bonk spieren en brute kracht. Een halve dag geleden stond ik op het randje van de wanhoop en dan gebeurt er zoiets. Het kan raar lopen. Met een lens die binnen seconden steeds beslaat, schiet ik met pijn en moeite wat foto’s totdat ik er genoeg van heb. Welzijn van de vis staat voorop. Pas zodra de vis rustig wegzwemt, kan ik opgelucht ademhalen. Enkele uren later ben ik met volle bepakking terug op de plek der krankzinnigheid, qua bereikbaarheid althans.

Doordat het waterpeil gestegen is, moet ik nu met complete uitrusting op de fiets honderden meters door ondergelopen bos ploeteren. Twee kuilen en evenzoveel volgelopen laarzen later strompel ik zompend de laatste paar honderd meter verder. Uit het niets krijg ik de schrik van mijn leven wanneer ik vanachter aangevallen word door een uil. Ik voel de poten dwars door mijn muts op mijn hoofd landen en laat in een flits alles vallen. De uil schrikt zich wezenloos en fladdert er krijsend vandoor. Mijn mat, spullen, halve stretcher en slaapzak, alles is doordrenkt. Probeer zoiets maar eens uit te leggen op een gemiddelde verjaardag. “Ja tante Nel, inderdaad een heerlijk ontspannende hobby. Gossiedorie nog an toe.”

In de consternatie schiet ik een fraaie serie snottebelfoto’s.

Rond drie uur ’s nachts lig ik dan eindelijk modder te happen op de droge helft van mijn stretcher. Ik moet alle zeilen bijzetten om het moraal hoog te houden, maar de gevangen vissen maken veel goed. Vroeg in de ochtend volgt er een salvo van drie aanbeten: een losser, een schubje en een kanon van een spiegel die mij met intense blijdschap vervult. In alle consternatie schiet ik een fraaie serie snottebelfoto’s, de ene nog indrukwekkender dan de andere. Het zijn waardige aanvullingen voor mijn toch al uitgebreide visfotocollectie met bladeren, modder of plukken wier op m’n hoofd.

Compleet kapot grijp ik de zeiknatte bende bij elkaar. Terug naar de bewoonde wereld om alles weer een beetje in het gareel te krijgen en voor te bereiden voor de komende dagen. Want de zoektocht naar geluk is, net als deze tour du krankzinnigheid, vooralsnog niet voorbij…