Leuk vissen!
Tekst & foto’s Matty Dawes
Steeds meer visvijvers creëren een gevarieerder visbestand. Zo ben je niet enkel afhankelijk van de grillen en nukken van karper. In eerste instantie vonden F1’s de weg naar de vijver en de laatste trend is dat ook witvis meer en meer wordt uitgezet. In Engeland zag je deze ontwikkeling al jaren geleden. Naar verwachting zullen de Lage Landen dit voorbeeld ook volgen. Met dit als uitgangspunt volgden we Matty Dawes.
Een van mijn favoriete witvisvangsten op commercials zijn windes. Ze azen behoorlijk agressief, ook wanneer de watertemperatuur laag ligt en andere soorten weigeren te azen. En weet je wat ik het mooiste aan winde vind? De toegepaste tactieken zijn relatief simpel om een mooi netje vis te vangen. Op bepaalde wateren kunnen de windes al genoeg zijn om een wedstrijd te winnen. In andere gevallen kunnen ze net die doorslaggevende factor zijn tezamen met F1’s en karpers. Vandaag ben ik op Monkhall Fishery, naar mijn mening één van de meest innovatieve complexen. De vijver waar ik plaatsneem wordt gedomineerd door F1’s, karpers en winde. Mijns inziens de weg die visvijvers moeten inslaan, omdat ongeacht de tijd van het jaar er altijd ‘vangbare’ vissen zwemmen. Op deze vijver liggen de winnende gewichten in de winter vaak tussen de 20 en 40 kilo, en dat is leuk vissen! We zien vaak in de winter dat karpers en F1’s maar hele korte aasperioden hebben. Als je geluk hebt tref je één of twee van die periodes tijdens een visdag. Het is super dat je dan in de tussenliggende periode wel de windes kunt vangen.

MADEN!
Om winde te vangen kan de aaskeuze niet makkelijker zijn: maden! Winde is een roofzuchtige soort, het zijn alleseters, zelfs kleine vis staat op het menu. Alhoewel je ze ook kunt vangen op mais of pellets, steken maden er in de winter echt met kop en schouders bovenuit. Later in het jaar heb ik ook goede ervaringen met (geknipte) wormen en casters, vooral in ondiep water, maar maden zijn het hele jaar door goed voor een visserij op winde. Neem ook genoeg maden mee, want winde zijn hongerige vissen, zelfs bij koude temperaturen. Als je ze eenmaal aan het azen krijgt, dan kun je behoorlijk wat voeren. Er zijn dagen dat er wel 1,5 liter doorheen gaat! Bij ons nog toegestaan, maar bij jullie niet: gekleurde maden. Ik zal er daarom niet uitgebreid over uitwijden, maar op de haak, als extra opvallend aas tussen de normale maden kunnen ze het verschil maken. Met name op de dagen dat de beten op gewone witte maden niet heel overtuigend zijn.
SIMPELE TUIGJES
Bij het wintervissen is het van cruciaal belang dat je subtiel vist, ongeacht de soort, dus ook op winde. De tuigjes en het materiaal zijn vergelijkbaar met een winterse F1 visserij. Ik gebruik twee verschillende tuigjes. Laten we beginnen met mijn bodemmontage. Ik kies voor een Preston F1 Maggot 4×14 (0,4 gram) dobber, uitgelood met een bulk nummer 8 hagels, en twee nummer 10 droppers daaronder. Vroeger viste ik regelmatig met niet-alledaagse loodzettingen, maar in de loop der jaren kwam het besef dat simpel doen vaak toch het beste is… Sindsdien heb ik met name bij de bodemmontages al mijn tuigjes weer vereenvoudigd. Het grootste deel van de nummer 8 hagels brengt de onderlijn snel naar de gewenste bestemming, de twee nummer 10 valloodjes zorgen ervoor dat het aas goed wordt gepresenteerd terwijl het haakaas nog een stukje langzaam kan zinken. Windes zijn visueel ingesteld en een langzame zinkfase bij de bodem is belangrijk.
Vroeger viste ik regelmatig met niet-alledaagse loodzettingen, maar in de loop der jaren kwam het besef dat simpel doen vaak toch het beste is…
Ik verwacht dat vandaag de winde met name op de bodem zal azen, maar later op de dag kun je ze ook wat hoger in het water verwachten. Om die reden heb ik ook een topset met een ‘ondiepe’ montage klaarliggen. Nu is op deze frisse dag ‘ondiep’ een relatief begrip; de dibber-montage voor in de zomer laat ik voorlopig in het foedraal. In plaats daarvan een Preston F1 model dobber 4×10, dat is 0,15 gram. De loodzetting bestaat uit een gespreide zetting met nummer 11 hagels. Het haakaas zal zo zeer natuurlijk naar een diepte van ongeveer een meter zakken, terwijl de stek ongeveer 1,8 meter diep is. Zowel mijn bodemmontage als ‘half water montage’ zijn gemaakt op 15/00 Reflo Power hoofdlijn en worden gecombineerd met een kant-en-klare onderlijn: de 11/00 mm variant met een SFL-B haak in formaat 20. Deze kleine haak is ongelooflijk sterk voor zijn draaddikte. Zodoende kun je het aas met finesse presenteren, maar heb ik ook de kracht om elke karper of F1 te landen.
DIKKER ELASTIEK
De keuze van het elastiek is een belangrijk onderwerp. De gemiddelde vis weegt hier tussen de 250-300 gram. Veel vissers zouden dan voor een nummer 5 elastiek (1,2 mm) gebruiken, maar soms fungeert een licht elastiek contraproductief. Waarom? Ik merk dat de windes op dit lichte elastiek snel naar de oppervlakte komen en hier cirkeltjes zwemmen en kopschudden, wat resulteert in relatief veel lossers! Gebruik ik een dikker elastiek, dan kan ik de haak beter zetten en blijven ze tevens door de grotere weerstand langer diep zwemmen. Het is interessant dat veel vissers bij lossers in eerste instantie naar een lichter elastiek grijpen, terwijl een dikker elastiek vaak een betere optie is. Voor het bodemvissen gebruik ik overigens de Preston No 9 Dura Slip (1,6 mm). Aan de andere kant is het belangrijk om bij het vissen in het ondiepe een zachter elastiek te gebruiken. De No 7 Dura Slip (1,4 mm) is ideaal. Als ik een vis haak duikt hij naar beneden in plaats van naar de oppervlakte te worden getrokken. Beide elastieken zijn gemonteerd in een ééndelige ‘short stop top kit’, die is 1,85 meter lang.

BIJVOEREN DILEMMA
Voor in de winter is 13 meter een prima afstand, verder vis ik nauwelijks. Ik kan snel vissen, en de afstand is ver genoeg om beten te krijgen. Vandaag heb ik maar één stek gemaakt. Tijdens een wedstrijd zou ik de rest van mijn stek gebruiken om karpers en F1’s te vangen. Vergeet niet dat gewicht tijdens wedstrijden leidend is en dat winde pas interessant wordt wanneer de grotere, zwaardere vissen niet azen. Je moet heel wat kleine windes vangen die opwegen tegen een karper van drie kilo! Bij aanvang voer ik ongeveer 100 maden met behulp van een cupping kit. Vanaf dan is het bijvoeren een kwestie van uitzoeken. In eerste instantie voer ik bij middels een Soft CAD Pot, hiermee krijg ik een mooie strakke aaskolom. Het is en blijft per visdag aftasten hoe de vissen reageren. Zolang ik goede beten krijg blijf ik losse maden brengen middels de CAD Pot. Als ik aanwijzingen krijg dat de vis ondieper het aas onderschept, dan ga ik nadenken welke voertactiek bij de half water montage het best matcht. Zodra ik het gevoel heb dat ik ondiep de windes kan vangen, zal ik de CAD Pot van mijn hengel halen en de katapult oppakken. Het overschakelen naar de katapult zal de vissen stimuleren om ondiep te komen.

DUBBELE LADING
Binnen korte tijd schiet ik tweemaal een lading van circa 20 maden op de stek. Mijn theorie is dat de eerste lading de vis aantrekt (ook door het geluid) en ze dit onderscheppen en volgen, waarna de tweede lading wel de bodem bereikt. Ik geloof dat dankzij de dubbele voerlading altijd wat aas op de bodem terechtkomt, wat belangrijk kan zijn: zelfs bij het vissen boven de bodem.
OP HALF WATER
Zoals ik eerder schreef zijn de technieken niet ingewikkeld, het komt nu aan op goed vissen. Ik bedoel daarmee dat het aan jou is om te lezen wat er op je stek gebeurt en er ook op te reageren. De beste vissers reageren het snelst en passen zich aan. Ik begon met vissen op de bodem en kreeg al snel veel beet. Na elke vis dropte ik zo’n 30 tot 40 maden met de CAD Pot op de stek. Een enkele made, gepresenteerd met ongeveer vijf centimeter overdiepte, ving het beste. Interessant is dat 90% van de beten kwam binnen enkele seconden na het staan van de dobber. Dit doet mij vermoeden dat het haakaas hun aandacht trekt op het moment dat de twee valloodjes naar beneden zakken.
Zoals zo vaak wanneer je vijf uur lang op één stek vist, overkomt het zelden dat je met één aanpak continue goed blijft vangen. Zo ook deze keer. Na ongeveer een uur vissen krijg ik lijnbeten kort na het droppen van de maden. Ik weet vrijwel zeker dat mijn losse voer nu tijdens de zinkfase wordt onderschept en niet pas op de bodem. Ik haal de pole pot van mijn hengel en begin met de katapult bij te voeren. Ik blijf in eerste instantie op de bodem vissen om de vissen vertrouwen te geven in het losse voer. Overigens kan het schakelen naar de katapult ook goed uitvallen voor de bodemvisserij. Omdat je de katapult gebruikt betekent dit niet dat je altijd van de bodem af moet gaan vissen. Vandaag azen de windes een stuk boven de bodem en ik vang er een mooi aantal op mijn tweede topset, op circa één meter diepte. In hoogzomer laat ik de montage bewust met wat kabaal, zelfs door te ‘slappen’, te water. Maar in deze tijd van het jaar ben ik voorzichtiger en leg ik het tuigje zachtjes in.
Ik heb een stelregel; als ik drie beten achter elkaar mis, dan stel ik de dobber vijf centimeter ondieper af.
DOBBERTJE SCHUIVEN
Ongeveer 20 cm boven de dobber heb ik een No 8 Stotz loodje op de lijn geplaatst. Dat is een belangrijk detail om tijdens de zinkfase aanbeten te registreren. Hoe werkt dit? Ik leg de montage met een gestrekte lijn in en laat het Stotz loodje onder water hangen. Je zult zien dat de dobber, door druk vanuit beide kanten, heel stabiel is en parallel met de zinkende lijn van diagonaal naar verticaal beweegt. Zodra in de zinkfase het aas wordt onderschept zie je het! Net als op de bodem vang ik vandaag heel erg goed op half water. De enige aanpassingen betreft het aanpassen van de visdiepte. Ik heb een stelregel; als ik drie beten achter elkaar mis, dan stel ik de dobber vijf centimeter ondieper af. Zodoende probeer ik stapsgewijs de beste visdiepte te achterhalen. Het verschilt vaak per dag, maar er is vaak een bepaalde diepte die het meest effectief is. Al met al is het een ongelooflijke sessie geweest, zeker gezien de tijd van het jaar. Het belangrijkste aspect wat ik je wil meegeven betreft het bijvoeren; specifiek het ‘lezen’ wat er na elke voerbeurt gebeurt. Dit vormt de basis voor kleine aanpassingen en is vaak de sleutel tot succes.








